Wie verliefd is, doet dingen voor de ander die hij voor niemand anders zou doen. Niemand dwingt hem, en toch heeft hij ineens al zijn tijd over. Hij is vrij, maar tegelijk volledig bezet. Luther gebruikt dit beeld om iets uit te leggen over de christen. Hij opent zijn boek De vrijheid van een christen met twee stellingen die op het eerste gezicht botsen. Een christen is volkomen vrij. En een christen is volkomen dienaar van iedereen. Beide zijn waar.
Vrij door geloof
De vrijheid van de christen heeft een specifieke betekenis. Wie weet dat hij door Christus is aangenomen, hoeft niets meer te doen om God gunstig te stemmen. Geen extra goede daad, geen offer, geen zelfverbetering kan toevoegen aan wat Christus al heeft gedaan. Daarom hangt je leven niet meer af van hoe goed je vandaag was. Geen mens kan je veroordelen, geen wet kan je nog onder druk zetten, geen schuldgevoel kan je gevangenhouden. Dat is wat Luther vrijheid noemt.
Vrij om te dienen
Maar precies die vrijheid maakt je dienaar. Niet onder dwang, maar uit dankbaarheid. Wie zoveel ontvangen heeft, kan niet anders dan doorgeven. Vrijheid die niet leidt tot dienen, schrijft Luther, is geen christelijke vrijheid maar egoïsme met een mooi jasje. Je dient je naaste niet om punten bij God te scoren. Je dient hem omdat je bij God al alles hebt ontvangen. Vrij van wat de ander mij zou kunnen geven, vrij om hem te geven wat hij nodig heeft.
Ter overdenking
- Leef ik mijn vrijheid alsof ik nog iets bij God moet verdienen?
- Wie heeft vandaag iets van mijn vrijwillige hulp nodig?