Sommige dingen kun je repareren met een beetje lijm. Andere dingen zijn voorbij dat punt. Iedereen die ooit iets kapot heeft gemaakt wat hij niet kon plakken, weet hoe dat voelt. David zit aan dat punt in Psalm 51. Hij heeft net zijn diepste fout achter de rug, en hij vraagt God niet om hulp bij het lijmen. Hij vraagt om iets nieuws. Schep een zuiver hart in mij. Matthew Henry merkt op dat het woord "scheppen" in de Bijbel alleen voor God wordt gebruikt. David vraagt om wat alleen God kan doen.
Mijn oude hart helpt me niet
Henry merkt scherp op: David zegt niet, geef me wat hulp, maar: schep. Hij had eerst geprobeerd zijn fout te bedekken, en dat werkte niet. Hij had geprobeerd te leven alsof er niets was gebeurd, en dat werkte ook niet. Pas toen Nathan hem confronteerde, brak hij open. Nu ziet hij dat het probleem niet bij één daad zit. Het zit dieper, in zijn hart. En daar moet God zelf aan het werk. Dat is geen kleinerend besef, maar bevrijdend. Je hoeft jezelf niet meer in elkaar te zetten.
Standvastigheid is ook een geschenk
Henry wijst nog op iets. David vraagt niet alleen om vergeving, maar ook om een standvastige geest. Hij weet dat een opwelling van berouw nog geen blijvende verandering is. Wie diep gevallen is, kan opnieuw vallen. Daarom bidt hij om vastheid. Genade is geen eenmalig moment, het is een bron die niet opdroogt. Daarom eindigt de psalm met vreugde, niet met zelfverwijt. Wie weet dat God hem schept, durft weer te zingen.
Ter overdenking
- Probeer ik mijn hart te repareren waar God het wil herscheppen?
- Voor welke standvastigheid wil ik vandaag God bidden?